Nieuws

Aanbevelingen schadevergoeding slachtoffers arbeidsuitbuiting

Uit onderzoek van FairWork naar 27 vonnissen in zaken van arbeidsuitbuiting (tussen 2013 en april 2017) blijkt dat 59 van de 60 slachtoffers zich gevoegd hadden als benadeelde partij. Dit is een positieve stijging ten opzichte van de jaren daarvoor, toen minder dan de helft van de slachtoffers zich nog voegde als benadeelde partij. Het blijkt echter dat slachtoffers van arbeidsuitbuiting lang niet altijd hun geleden schade geheel dan wel gedeeltelijk vergoed krijgen. Van de 59 vorderingen werden er 41 niet ontvankelijk verklaard.

In Nederland bestaat de mogelijkheid voor slachtoffers van arbeidsuitbuiting om schadevergoeding te vorderen binnen de strafprocedure tegen hun werkgever. Schadevergoeding kan bestaan uit materiële schade (zoals achterstallig loon en medische kosten) en immateriële schade (zoals fysiek of psychisch lijden).

Niet ontvankelijk

In de onderzoeksperiode werden 41 vorderingen om verschillende redenen niet ontvankelijk verklaard:

  • 15 vorderingen werden afgewezen vanwege het feit dat ze een onevenredige belasting van het strafproces zouden zijn;
  • 4 vorderingen werden afgewezen omdat er geen rechtstreeks verband zou zijn tussen de geleden schade en het strafbare feit;
  • 22 vorderingen werden afgewezen vanwege vrijspraak.

Verder werden 11 vorderingen gedeeltelijk toegewezen, en 7 vorderingen in zijn geheel.

Redenen afwijzing

Een afwijzing vanwege vrijspraak spreekt voor zich: de rechter veroordeelt de verdachte niet; hierdoor vervalt automatisch de vordering tot schadevergoeding. Ook de argumentatie achter een afwijzing door de rechter dat er geen rechtstreeks verband zou zijn tussen de geleden schade en het strafbare feit is helder. Rechtstreekse schade bestaat alleen indien de benadeelde kan aantonen dat de geleden schade als gevolg van de mensenhandel is ontstaan.

Het argument ‘onevenredig grote belasting van het strafproces’ is de moeite waard verder te bespreken. Dit argument wordt opgevoerd als de rechter uitgebreid onderzoek moet verrichten naar de onderbouwing van de vordering. De rechter beveelt in die gevallen aan de vordering bij de civiele rechter in te dienen, in plaats van bij de strafrechter.

Dit werpt voor het slachtoffer twee barrières op: aan een civiele procedure zijn kosten verbonden, en er is onzekerheid of het gevorderde bedrag, na toewijzing, daadwerkelijk zal worden uitgekeerd. Het slachtoffer moet immers zelf zorgen dat hij het toegewezen bedrag in handen krijgt.

Binnen het strafrecht ligt dit anders. Als de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, is de voorschotregeling van toepassing. Die houdt in dat indien de verdachte de schade acht maanden nadat het vonnis onherroepelijk is geworden niet of onvolledig heeft betaald, de Nederlandse Staat het resterende schadebedrag voorschiet. Toekenning van schadevergoeding binnen het strafproces is dus duidelijk in het belang van het slachtoffer.

Aanbevelingen

Om ervoor te zorgen dat slachtoffers vaker financieel gecompenseerd kunnen worden heeft FairWork, in samenspraak met onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, de volgende aanbevelingen geformuleerd:

  1. Schadevergoeding zou niet afhankelijk moeten zijn van de vraag of er een vordering wordt ingediend. De schadevergoedingsmaatregel moet ook zonder vordering ambtshalve gevorderd worden, en in plaats van een voordeelberekening op te maken voor een ontneming moet daartoe berekend worden welke reële materiële schade een slachtoffer heeft geleden.
  2. Het verdient aanbeveling dat de beslissing van de strafrechter tot doorverwijzing naar de civiele rechter goed wordt gemotiveerd. In de praktijk liggen er vooral twee redenen ten grondslag aan het niet-ontvankelijk verklaren van een vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Namelijk: de vordering wordt niet met voldoende bewijs ondersteund en kan daardoor te complex worden bevonden, of de vordering wordt wel met voldoende bewijs ondersteund maar is te complex van aard.
  3. Een beroep op ‘onevenredige belasting’ door de rechter zou kunnen worden voorkomen als vorderingen worden versimpeld en beter worden onderbouwd. Hierbij kan worden gedacht aan een aantal mogelijkheden. De advocaat zou het minimumloon uit de algemeen verbindend verklaarde CAO van de betreffende sector kunnen aanhouden, te weten het minimumloon per dag voor de sector x het aantal bewezenverklaarde dagen. Ook zou een standaard dagbedrag kunnen worden aangehouden (zoals gebeurt bij slachtoffers uit de gedwongen prostitutie). Te weten: de bewezenverklaarde periode van arbeidsuitbuiting x het standaard dagbedrag. Hierdoor wordt de vordering overzichtelijker en eenvoudiger.
  4. Hoewel slachtoffers een advocaat krijgen toegewezen die in beginsel een schadeberekening zou kunnen opmaken, kan ook de financieel rechercheur in een financieel rapport de schade-eis van het slachtoffer onderbouwen. Gelet op zijn/haar financiële ervaring zal dit een kwalitatief goed rapport zijn, waarbij het dossier grondig is bekeken. Ook kan in dat geval in combinatie met een vordering tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, conservatoir slachtofferbeslag worden gelegd.
  5. Een heldere onderbouwing van de vordering is van belang. De advocaat kan dit bevorderen door een duidelijke weergave te geven van de juridische grondslag van een vordering. Tot op heden lijkt het zo te zijn dat zowel de strafrechter als de advocaat die het slachtoffer bijstaat, over onvoldoende kennis omtrent het arbeidsrecht/civiel recht beschikt. Een minicursus arbeidsrecht of juridische bijstand door een civilist, bieden hierbij uitkomsten.
  6. Naast de bewijsbaarheid van materiële schade kan ook de bewijsbaarheid van immateriële schade een probleem vormen. Het verdient aanbeveling om uitspraken van rechters waar een immateriële schadevergoeding is toegewezen te bundelen, zodat advocaten en rechters meer inzicht hebben in de onderbouwing.
  7. Om te voorkomen dat de vordering voor partijen tijdens de zitting te veel vragen oproept, is het raadzaam om een schriftelijke ronde vóór de zitting in te richten zodat de vordering bij vragen nader toegelicht kan worden of verder met stukken kan worden onderbouwd.

Vorderingen grote groepen slachtoffers

Er zijn grofweg twee redenen waarom slachtoffers geen vordering benadeelde partij indienen tijdens de strafprocedure tegen de verdachte: de officier van justitie heeft het slachtoffer niet opgenomen in de tenlastelegging, of het slachtoffer besluit zelf niet over te gaan tot het indienen van een vordering.

We gaan verder in op de eerstgenoemde reden, omdat slachtoffers van arbeidsuitbuiting die in grote groepen zijn uitgebuit hiermee te maken hebben. Uitbuiting in grote groepen komt relatief vaak voor bij arbeidsuitbuiting; soms kan het gaan om honderden slachtoffers. Het kan gebeuren dat niet alle slachtoffers in beeld komen bij de opsporing en dus niet uitgebreid worden gehoord en worden meegenomen in het onderzoek. De officier van justitie focust zich primair op de vraag of de verdachte strafbaar is aan arbeidsuitbuiting/mensenhandel en zal daarom in de tenlastelegging slachtoffers opnemen waarvoor hij uit de voorhanden zijnde processtukken voldoende bewijs (verzameld) heeft.

Een slachtoffer van arbeidsuitbuiting/mensenhandel kan zich alleen voegen als benadeelde partij in het strafproces, als de zaak van het slachtoffer op de tenlastelegging is vermeld of ad informandum is toegevoegd. Hierdoor komt het voor dat niet alle slachtoffers van arbeidsuitbuiting gecompenseerd worden voor het hun aangedane leed.

Dit artikel is mede tot stand gekomen op basis van de onderzoeksresultaten van de Universiteit van Amsterdam, mr. dr. drs. Jill Coster van Voorhout, en haar studenten Lisa Gersen, Tessa Mulder, Vincent van Wonderen en Wendy de Koning.

Download: Overzicht knelpunten compensatie

Lees ook: Te weinig schadevergoeding slachtoffers arbeidsuitbuiting